PROPERZIA

Ik ontdekte Properzia De’ Rossi bij toeval toen ik een artikel las over vrouwelijke kunstenaars in de zestiende eeuw. Properzia leefde tussen 1490 en 1530 in Bologna, in Noord Italië, en wordt beschouwd als de eerste vrouwelijke beeldhouwer van de Italiaanse renaissance. Over haar leven en werk is niet heel veel bekend. Voor een historicus kan dat vervelend zijn maar voor een verhalenverteller schept dat juist mogelijkheden. Er bestaat ook geen portret dat tijdens haar leven is gemaakt.

Drie jaar geleden wist ik bijna niks van de Italiaanse renaissance af, behalve wat ik ooit had gelezen in de avonturenroman ‘De kanonnen van de Medici’s’ van de Britse auteur Martin Woodhouse waarin niemand minder dan Leonardo da Vinci de held is. Hij giet kanonnen, flaneert met adellijke dames langs de oevers van de Arno, schildert een portretje, en redt ook het fortuin van de Medici’s, maar dan écht wel het op het nippertje. Dus over de renaissance had ik nog wel wat in te halen.

De term ‘renaissance’ of wedergeboorte kwam pas tijdens de negentiende eeuw in de mode en heeft veel te danken aan de Florentijnse kunstenaar en historicus Giorgio Vasari die het boek ‘Vite’ (Levens) schreef over de Italiaanse kunstenaars van de 15de en 16de eeuw. Hij legde het zaadje voor het idee de kunsten, die teloorgegaan waren na de val van het Romeinse rijk, in zijn tijd herboren werden.  

Toen ik me drie jaar geleden ging documenteren over de renaissance was ik verrast om te ontdekken hoe ellendig die zestiende eeuw wel was. Italië was een lappendeken van staatjes die voortdurend op voet van oorlog leefden en op veldtocht gingen met legers van huursoldaten uit heel Europa. De steden waren vuil, stoffig en overbevolkt. Het platteland was onveilig. De kloof tussen arm en rijk was onoverbrugbaar breed. Van sociale mobiliteit was een sprake. Tegen besmettelijke ziekten als de pest, typhus, malaria en syfilis was geen kruid opgewassen. Mensen baden liever een weesgegroetje teveel dan te weinig voor ze de deur uitgingen. En dan de mecenassen, de mensen die kunstenaars opdrachten gaven! Dat waren oneerlijke bankiers die zich rijk hadden geteld, moordende huurlingengeneraals die zich ‘ridder’ of ‘hertog’ lieten noemen en pausen die de tien geboden van zich lieten afglijden. De tijd van de renaissance met zijn fanatisme en onverdraagzaamheid is eigenlijk een vieze vlek in de geschiedenis. Het is daarom bijna niet te geloven dat in zo’n wereld schilderijen, fresco’s en beeldhouwwerken werden gemaakt die in onze tijd nog altijd verder leven. Misschien was het juist de lelijke werkelijkheid die de kunstenaars ertoe aanspoorde om schoonheid uit steen te hakken, om een ideaal op doek te schilderen, om iets te maken dat alleen bestond in hun verbeelding.

En Properzia de’ Rossi was een van de eerste vrouwelijke kunstenaars van die Italiaanse renaissance.

De weinige vrouwen die in de zestiende eeuw de schilderkunst beoefenden waren opgegroeid in het atelier van hun vader tussen de penselen en de linnen doeken. Maar de vader van Properzia was geen kunstenaar. Hij was een notaris, en dat was vroeger een verdacht beroep. De middeleeuwse schrijver Giovanni Boccaccio drijft in zijn verhalenboek de Decamerone, genadeloos de spot met notarissen. Een notaris, zo schrijft hij, was een man ‘die je bedroog met het zuivere geweten van een heilige’. Volgens een oud Italiaans gezegde was een notaris ‘een van de negen dingen waaraan de wereld ten onder zou gaan’.

We weten dat Properzia, de notarisdochter, een beeldhouwster is geworden omdat haar naam in de afrekeningen staat van de basiliek van San Petronio. Ze werd betaald voor het maken van engelen en waarzegsters en voor twee marmeren panelen aan de voorgevel van de enorme kerk. Maar die afrekeningen waren vaag: engel, zoveel lire, paneel, zoveel lire… En Properzia’s naam staat niet gegraveerd op de werken die ze heeft gemaakt.

Er is maar één beeldhouwwerk dat met zekerheid aan haar wordt toegeschreven omdat Vasari in zijn boek daarover schreef. Hij wijdde in zijn boek ‘Levens’ een hoofdstuk aan Properzia. Haar paneel is een scène uit het Oude testament: “Jozef die verleid wordt door de vrouw van Putifares”. En in het paneel staat niet de goede, door God op de proef gestelde Jozef centraal maar wel ‘de vrouw’.

Vasari schreef ook dat Properzia in haar tijd bewonderd werd omdat ze taferelen sneed in de pitten van vruchten. Zo bestaat er een kersenpit met honderd gezichten erin gesneden dat aan haar wordt toegeschreven. Vasari beweerde ook dat ze een ‘arme vrouw was die kapotging aan liefdesverdriet’. Dat wordt vandaag met een korrel zout genomen. De goede man had haar nooit ontmoet en een historicus in de zestiende eeuw was toch ook vooral een verhalenverteller.

Hieronder de kersenpit met honderd gezichten. Het werk is te zien in het Pitti paleis in Firenze.

Properzia staat niet alleen vermeld in de afrekeningen van de kerk maar ook in de strafrechterlijke archieven: ze moest een eerste keer voor de rechter verschijnen na een behoorlijk uit de hand gelopen burenruzie, en een tweede keer omdat ze een collega-schilder op straat had uitgescholden en diens gezicht ‘tot bloedens toe’ had opengekrabd… dat zijn natuurlijk het soort details waar mijn vertellershart sneller van gaat kloppen.

Ik zag Properzia al voor mij, collega-schilders uitscheldend en slenterend langs de oude Romeinse weg, de Via Flaminia die Bologna met Rome verbindt. Ik zal haar al in de Eeuwige Stad waar ze zich laafde aan de beelden uit de antieke tijd en afdaalde in het pas ontdekte, ondergrondse paleis van Keizer Nero waar enkele jaren voordien kunstenaars als Ghirlandaio, Raphaël en Michelangelo in het licht van fakkels, en wellicht voor het eerst, intacte fresco’s uit het oude Rome hadden gezien. Er ontstond een verhaal in mijn hoofd en ik heb toen meteen een paar levendige hoofdstukken op papier gezet.

Maar ik dacht: laat ik toch maar een expert raadplegen. Ik reisde naar Bologna en maakte een afspraak met hoogleraar kunstgeschiedenis Irene Graziani omdat zij essays over Properzia geschreven. Op haar kantoor, in de faculteit kunstgeschiedenis, legde ik een beetje stuntelig uit wat ik van plan was om in mijn boek te vertellen: de collega-schilders, de weg naar Rome… afdalen in paleizen… fakkels… Professor Graziani keek me aan met stijgende verbazing en zei toen dat Properzia haar hele leven in Bologna was gebleven. Of toch wel ongeveer in de buurt van Bologna. Ze was nooit in Rome geweest. Daar was geen enkel bewijs van.’

Ik vroeg toen nog ‘bent u dat zeker’, want in mijn verbeelding had ze dat allemaal gedaan.

Enfin, daar gingen mijn levendige hoofdstukken. Mijn verhaal was in elkaar gezakt nog voor het goed en wel geschreven was.

Ik moet een beetje teleurgesteld hebben gekeken dat op de faculteit kunstgeschiedenis, want professor Graziani zei: ‘maar, jongeman (sic.), je weet toch wie in Bologna was toen Properzia een jaar of vijftien was?’

Nee.

Ze vertelde me dat paus Julius de Tweede, bijgenaamd de Verschrikkelijke, Il Terribele, in 1506 Bologna had ingenomen met een leger van tienduizend huursoldaten en hij had een kunstenaar naar de stad gesommeerd om een enorm bronzen beeld van hem te maken.

– Dat was iets wat pausen toen wel eens deden. –

De kunstenaar was Michelangelo. Hij was toen 35 en zijn beeld van ‘David’ stond al twee jaar te pronken voor het stadhuis van Firenze. Irene Graziani vertelde dat het heel waarschijnlijk is dat Properzia als jonge vrouw van 15 Michelangelo heeft ontmoet, ook al omdat zijn invloed te zien is in Properzia’s enige met zekerheid bekende werk. In haar paneel heeft het vrouwelijk personage de gespierde armen die zo typisch zijn voor de beelden van Michelangelo.  

Dat bezoek aan Bologna, die ontmoeting met Irene Graziani, drie jaar geleden, heeft me op het juiste pad gebracht om dit verhaal te vertellen.

In mijn boek hebben Michelangelo en Julius de Tweede maar een kleine rol. Ik schreef vooral het verhaal over een jonge vrouw die tussen haar vijftiende en zeventiende levensjaar, tegen vooroordelen, verwachtingen en waarschuwingen in, besloot om iets te worden wat nog niet bestond, een beeldhouwster, een beroep dat ongeschikt werd geacht voor “tengere vrouwen met smalle polsen”.

Tijdens mijn bezoeken aan Bologna heb ik professor Graziani drie keer gesproken en veel domme, onhandige en vaak dezelfde vragen gesteld in mijn steenkolen-Italiaans, en ze gaf mij veel tips over het verleden van Bologna. Ze sprak vaak van ‘onze Properzia’ alsof de beeldhouwster verre familie van haar was. Ik vroeg haar wat zij zelf dacht over het leven van Properzia… haar leven waar we zo weinig van weten. Ze werd even stil … en toen zei ze dat het erg zwaar moet zijn geweest. Tegenstanders, geldproblemen, aanvaringen met het gerecht, ziekte… een moeilijk leven.

Maar Properzia werd alles wat ze wilde worden, een beeldhouwster en ik heb haar verhaal proberen vertellen.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑