ONHEILSDOCHTER

Denemarken, anno Domini 870. Yrsa is de heidense dochter van een Friese slavin en een Deense stuurman. Als de mannen van haar dorp op een dag van zee terugkomen met een hooggeplaatste gijzelaarster aan boord, krijgt Yrsa de opdracht op haar te passen. Hoewel de levensopvattingen van Yrsa en de rijke Zuster Job bijna niet met elkaar te rijmen zijn, ontstaat er toch een vriendschap tussen de twee. Maar als Zuster Job iets onherstelbaar doet, staat Yrsa voor een onmogelijke keuze. Moet ze het nonnetje uitleveren aan haar wraakzuchtige clan, of moet ze samen met haar vluchten, over de onvoorspelbare zee? Valt er wel te ontkomen aan de wraak van de Denen en hun goden?

De historische avonturenroman ONHEILSDOCHTER verscheen in mei 2022.

Het idee voor het boek.

In elk van onze namen schuilt een verhaal. Onze namen verbinden ons met vroeger. Mijn naam – Rijkegem – was oorspronkelijk een plaatsnaam. In de buurt van Tielt in West-Vlaanderen bestaat nog steeds een Rijkegemkouter. Een kouter – ik moest het even opzoeken – was vroeger een bebouwd stuk grond. Mijn oom Willy deed onderzoek in de archieven van de stad Tielt en wat bleek: de naam Rijkegem of Rikegem bestond al in het midden van de negende eeuw en is een van de oudste toponiemen van de streek. De naam zou teruggaan terug naar Rikiwulfingaheim, dat wil zeggen: de verblijfplaats (het heim) van het volk van Rikiwulf.

En Rikiwulf is dan weer een Deense of Noorse naam en betekent evenveel als ‘de Meester van de Wolven’. Mijn oom liet daarop zijn DNA onderzoeken en onze familie zou oorspronkelijk afkomstig zijn uit Denemarken of Noorwegen.

Of het allemaal wel klopt, weet ik niet honderd procent zeker, maar ik dacht dat wel een mooi jeugdboek zat in die ‘meester van de wolven’ en in die negende eeuw.  

Ooit kreeg ik de raad: schrijf over wat je weet. Maar elke keer als ik aan een historisch jeugdboek begin, stap ik in een verleden waar ik bijna niets van weet. Maar precies het ontdekken, het uitpluizen en het proberen begrijpen van dat verre verleden is – hoewel af en toe frustrerend – ook een deel van mijn schrijfplezier. Twee archeologen – Dries Tys in Gent en Adam Bak in Denemarken – hebben me op weg geholpen en veel tips gegeven. In Jelling, Denemarken, bevindt zich een indrukwekkend Vikingmuseum op de plek waar koning Harald Blauwtand een kort had gebouwd.

De negende eeuw.

In de negende eeuw zag de wereld er anders uit. De Westerschelde bestond nog niet. Het was een zanderige vlakte die door het getij werd overspoeld. De streek rond Gent was een moeras en werd – in het Latijn – de Pagus Flandrensis genoemd, wat evenveel betekent als ‘het ondergelopen land’. De naam Vlaanderen is afgeleid van ‘Flandrensis’. Hieronder is een kaart met een reconstructie van onze kust. Bovenaan, op het eiland Walcheren, lag Walacrium (of Walicrum), een Vikingstad (en eerder een Romeins fort). De plek speelt een belangrijke rol in de roman. Vandaag is dat Domburg.

De Denen en Noren in de negende eeuw werden vermoedelijk door de mensen aan de Noordzee vikingen genoemd omdat ze reisden langs de ‘vici’, de Latijnse term voor ‘marktplaatsen’. Ze deden de markten van de Noordzee af en ze moeten zich ook hebben gevestigd. De naam Brugge komt van het Deense Bryggja voor ‘brug’. Le Havre in Normandië komt van het Deense ‘havn’ dat uiteraard haven betekent en het Noord-Franse Dieppe komt van het Deense ‘diepe’ dat wijst op de diepte van de rivier die daar in de zee uitmondt.

Op de markten van de Noordzee werden wol, huiden, levensmiddelen geruild of verkocht, maar op de markten werden ook mensen verhandeld. Pas heel recent, zijn archeologen gaan beseffen wat voor een omvang die mensenhandel gehad moest hebben. Elke Deense boerderij had slaven. De Denen hadden toen meer dan tien benamingen voor slaven. Een mannelijke slaaf was een ‘thrall’, een vrouwelijke slaaf een ‘ambatt’, een slaaf die huiselijke taken deed een ‘deigja’, een slaaf die weefde een ‘seta’ en ga zo maar door. De economie van de Scandinavische volkeren in de negende eeuw – het succes van het Vikingmodel zeg maar – was gebaseerd op uitbuiting van slaven.

De mythen uit het Noorden.

Ik leerde ook de Deense goden kennen wier verhalen pas in de 12de en 13de eeuw zijn opgetekend door de Ijslandse monnik Snorri Sturluson. Zijn boek heet de Edda, wat ‘grootmoeder’ betekent. De mythen werden eeuwenlang mondeling doorgegeven en de man die ze uiteindelijk neerschreef was een monnik. Zijn eerste bekommernis was in feite de Noordse en Germaanse dichtkunst van de ondergang te vrijwaren, maar hij interpreteerde de mythen vanuit het christendom, waardoor het heidense of zelfs duivelse karakter benadrukt werd. 

De Deense goden waren niet alwetend en almachtig zoals de God van de Christenen. Ze gedroegen zich vaak als onhandelbare kinderen en ze veranderden van geslacht als van hemd. Ze waren gender-fluid. Ik schrijf ‘Deense’ goden maar dat klopt niet helemaal. Het zijn ook de goden van onze voorouders.

Archeologen vermoeden dat de verering van Wodan – de Germaanse naam voor Odin – zijn oorsprong vond aan onze kant van de Noordzee en dat de cultus via de Germanen naar Denemarken gekomen is. Die oude goden zijn nog steeds bij ons, in de dagen van de week. Dinsdag, is de dag van Tyr, de god die zijn hand verloor in de muil van een enorme wolf. Woensdag is genoemd naar Wodan, de vader van de Goden en donderdag is de dag van de dondergod Thor. Hij was de god die geluk bracht, die beschermde, vandaar dat onze voorouders het liefst trouwden op een donderdag. En Vrijdag is de dag van Frigg, de vrouw van Wodan die met haar spinnenwiel de wolken weeft.

De kerk probeerde de namen van de weekdagen te veranderen en dat is in Duitsland half gelukt. Daar is de Wodanstag in de elfde eeuw veranderd in Mittwoch. Het midden van de week mocht immers niet verwijzen naar de Vader van de heidense goden.

Odin in vrouwenkleren.

Hieronder is een beeldje te zien. Het werd gevonden in een Deens graf in 2009, is 18 mm hoog en weegt 9 gram. Het dateert uit de negende eeuw en stelt een eenogige figuur op een troon voor met twee raven en twee wolven. De meeste archeologen zijn het erover eens dat het beeldje de god Odin voorstelt die vanop zijn troon Hliðskjálf de negen werelden overziet. Zijn raven heten Huginn en Muninn en vertellen aan Odin wat er in de wereld gebeurt. De wolven heten Geri en Freki. Opvallend is dat Odin vrouwenkleren draagt.

Het innerlijk leven van de Denen was boeiend. Wat ik mooi vond is dat Denen dachten dat het geluk een persoon was, een soort schaduw die naast je liep. We zeggen dat het geluk je in de steek kan laten en de Engelsen zeggen ‘his luck ran out’, zijn geluk liep weg. De uitdrukkingen zijn afkomstig van het heidense geloof dat het geluk een zelfstandig wezen was dat je zomaar in de steek kon laten om misschien nooit meer terug te komen.

De Denen geloofden dat ze ook een binnenste hadden, hun hugr, maar dat hun uiterlijk, hun bolster, hun hamr, niet definitief was. Een mens kon veranderen, transformeren. Niet alleen in een wolf of een zeehond maar een man kon een vrouw worden en omgekeerd. Dat besliste een mens niet zelf, dat deden drie oude vrouwtjes onder een boom. Zij stikten het lot van ieder mens in een opgespannen, wollen doek alsof het leven een patroon in een zeil was. Alles stond in het teken van de zee.

Ook de Goden hadden hun lot. Odin was vaak neerslachtig omdat hij wist hoe hij aan zijn einde zou komen: verzwolgen door de enorme wolf Fenrir op die gruwelijke laatste dag van de wereld die de Skandinaviërs Ragnarok noemden, letterlijk: het lot van de goden.

Maar terug naar mijn voorvader. Als ik aan een roman begin te schrijven doe ik dat meestal zonder een echt plan. Ik dacht dat het verhaal over Rikiwulf, meester van de wolven, zou gaan maar toen ik aan dit boek begon – twee jaar geleden – namen twee jonge vrouwen het verhaal meteen over. Ik ontdekte YRSA, een jonge Deense die dweept met haar heidense goden en gelooft dat alles voorbestemd is, dat iemands leven al vooraf is bepaald want het is geweven in een doek door drie oude vrouwtjes onder een boom. En ook ZUSTER JOB stond ineens voor mij. Een Zuster uit het Onze-Lieve-Vrouw klooster op de Blandijnheuvel in Gent. Zij wordt geschaakt door de Denen maar is fanatieker dan drie pausen bij elkaar en beweert dat ze de achterkleindochter is van Karel de Grote.

Yrsa en Job werden de hoofdpersonages van Onheilsdochter. Mijn arme voorvader werd niet meer dan een nevenpersonage en niet eens zo’n sympathiek nevenpersonage. Ik kan er niets aan doen. Ik was al schrijvend van Yrsa en Job gaan houden. ONHEILSDOCHTER is hun verhaal.

Het boek stond op de longlist van de Boon en kreeg een enthousiaste recensie in De Standaard. Het boek is intussen vertaald in het Engels en in het Italiaans. Hieronder vind je de voorbladen.

‘Onheilsdochter’ is nog steeds verkrijgbaar bij Querido.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑